EVEN ER TUSSENDOOR – Een jasje voor de hond
Er bestaan beroemdheden in lagen.
Je hebt de A’s – altijd op de beste stoel, altijd in het licht.
De B’s – soms zichtbaar, soms net niet.
En de C’s – overal aanwezig, altijd op zoek naar aandacht.
Mira hoort ergens bij D of E. Ooit was zij de vrouw van een bekende jockey. Daarna volgden andere partners, andere avonden, andere entrees bij shows en events waar ik haar regelmatig tegenkwam.
En toch: met Mira verveelde je je nooit.
Ik zag haar terug, na lange tijd, onderweg naar de supermarkt. Het was februari-koud. Geen sneeuw meer, maar zo’n schrale kou die door je jas heen kruipt. Mira droeg een lange rechte jas in lila. Haar dochter – lang, mager, naar binnen gekeerd – een diep donkergroene.
Voor hen uit liep een langgerekt zwart-wit hondje.
Het hondje had een dik geel jasje aan dat niet alleen zijn rug, maar ook zijn pootjes bedekte. Zijn staartje stak er eigenwijs doorheen. Hij trok ongeduldig aan de lijn, wilde bij elke voortuin stilstaan, bij elk hek, elke heg.
Eigenlijk was het te koud om te praten.
Maar ik zei dat ik het een bijzonder hondenjasje vond, zo’n model had ik nog niet eerder gezien.
Dat deed Mira zichtbaar plezier.
“Je ontkomt er niet aan,” verzuchtte de dochter. “Als je een hond hebt, moet je hem uitlaten.”
“Hij heeft er eigenlijk geen zin in,” zei Mira. “Hij vindt het veel te koud.”
“Je zit eraan vast, of je wilt of niet,” zei de dochter.
Ik keek naar het hondje dat alweer probeerde een hek te bereiken.
“Met zo’n mooie jas heeft hij het niet te koud,” zei ik. “Hij wil aldoor dat jullie stilstaan.”
De dochter keek me aan.
“Dat weet u toch. Hij moet zijn geurvlag achterlaten voor andere honden.”
Misschien had ze gestudeerd. Misschien gaf ze mij gewoon een lesje. Of misschien had ze een slecht humeur.
Mira keek berustend toe hoe het dier weer uitweek naar een heg bij de hoek van de straat.
“Het hoort erbij,” zei ze. “Dat doen ze allemaal. Het is een mannetje. Ze moeten hun territorium bewaken.”
De dochter lachte cynisch.
“Hou toch op, ma. Dat is de kwaal van alle mannen. Ze moeten hun territorium bewaken. Daarom zijn ze altijd aan het vechten. Daarom is het zo’n chaos in de wereld.”
Ik vond dat ze niet helemaal ongelijk had.
Maar ik was ook blij dat Mira gewoon van haar hond hield. Zonder theorie. Zonder strijd.
We spraken af elkaar weer eens te ontmoeten in een ons bekende kroeg.
“Het is binnenkort voorjaar,” zei Mira. “Dan zitten we daar op het terras. Koffie. En wijn. Ik neem de hond mee. Mijn dochter komt niet mee – ze heeft het druk. Heel druk.”
Ik knikte.
Er viel een korte stilte.
“We moeten gaan, ma,” zei de dochter.
Ik keek ze na in hun lange, loodrechte jassen.
Het hondje trippelde geduldig achter hen aan, zijn gele jasje fel in het bleke winterlicht.
En ik dacht:
Soms draait de wereld niet om A, B of C.
Soms draait hij gewoon om een klein dier dat zijn vlag achterlaat
en twee vrouwen die elk op hun eigen manier
hun territorium proberen te bewaken.









