Krankzinnige Amsterdamse stadsscene
Rook uit een raam op de derde verdieping bracht een Amsterdamse straat vrijdagavond plotseling in rep en roer. De brandweer rukte uit, maar boven bleek een vrouw vooral druk met haar haar.
Na het boodschappen doen liep ik terug naar huis. Om de hoek bleven mensen staan omdat er rookvlagen uit een raam op de derde verdieping kwamen. Er hing een branderige lucht en af en toe klonk een vreemd geluid.
De deurwacht van het nabijgelegen wietcafé dacht dat er misschien een machine was vastgelopen. Ondertussen liepen mensen met hun weekendboodschappen haastig voorbij. Bijna iedereen keek omhoog.
Een oudere mevrouw met korte grijze krullen bleef staan.
Ze droeg uitsluitend zwart en had een vriendelijke witte poedel bij zich. Ondanks de mogelijke brand trof mij als moderedactrice het contrast: haar slanke, zwarte verschijning naast die witte hond, tussen alle snuivende en omhoogkijkende voorbijgangers.
“Het zijn rookvlagen,” zei ze tegen mij. “Maar ik heb de laatste tijd al zoveel meegemaakt.” Ze schudde haar hoofd.
De keurig geüniformeerde deurwacht belde bij alle drie de etages aan. Niemand reageerde. Hij bonkte op de voordeur. Opnieuw dreef er rook uit het raam.
Een lange blonde man van een nabijgelegen kantoor vond het genoeg. “Dit kan gevaarlijk worden. Ik bel de brandweer. Blijf wachten en waakzaam.”
Aan de overkant opperde een man dat het misschien om een zaagmachine ging. Ik dacht: typisch iets voor een man die vermoedelijk van klussen houdt.
Niet veel later kwam de brandweer met veel lawaai aanrijden. Uit de wagen sprong een team brandweerlieden in gele pakken. Ze droegen gordels en ander materieel en keken onmiddellijk naar het openstaande raam aan de zijkant van het huis.
Toen verscheen daar opeens het hoofd van een vrouw. Ze keek geïrriteerd naar alle drukte beneden.
“Mogen wij even bij u binnenkomen?” vroegen de brandweerlieden.
De mensen op straat volgden gespannen wat er gebeurde. Maar het hele team kwam al snel weer naar buiten.
Wat was er aan de hand?
“Een föhn.”
Er werd gelachen. “Als je haar maar goed zit,” merkte iemand op.
Vanuit het raam riep de vrouw dat ze doodgewoon aan het werk was geweest. De deurwacht antwoordde dat ze beter op haar veiligheid moest letten. Hij vond haar een lastpak. Zij zag dat duidelijk anders. Ze had het druk en haar haar ging voor.
Peter, een kunstenaar die naast mij stond, zei dat wij allemaal weleens de weg kwijt zijn. Dat klopt natuurlijk. Maar ze had toch minstens even uit het raam kunnen kijken om te zien wie er zo hardnekkig aanbelde.
Peter meende ook handschoenen te hebben gezien. Misschien was ze tegelijkertijd vlees aan het braden.
“Ik ben vegan en braad nooit vlees,” zei ik. Dat ik soms een klein beetje smokkel, vond ik op dat moment niet vermeldenswaard.
De hele buurt bang maken en ervoor zorgen dat een compleet brandweerteam onmiddellijk en gratis klaarstaat om desnoods je leven te redden – en dat allemaal heel gewoon vinden omdat jij je haar moet doen?
Het ging mij te ver.









